De doodse stilte werd alleen doorbroken door het knisperen van het glas van de ingetrapte tuindeuren onder de schoenen van de vreemdeling, het gejammer dat onder het bureau van dokter Röyksopp vandaan kwam, het knetteren van het oplaaiende vuur in de hoek van de spreekkamer en mijn raspende ademhaling. Voor een doodse stilte was er best veel om naar te luisteren.
‘Voor we beginnen, lees dit eerst,’ zei Kapitein Acab. Hij gooide iets naar me toe.
Met een katachtige reflex greep ik net dertig centimeter naast het voorwerp, en het viel op de grond met een rinkelend geluid. Ik zakte door mijn knieën om het onbekende object te zoeken en kwam oog in oog met dokter Röyksopp, die vanonder zijn bureau met wilde gebaren iets aan mij duidelijk probeerde te maken.
’Is het een boek,’ probeerde ik nog halfhartig, maar mijn hoofd stond niet naar gezelschapsspelletjes dus negeerde ik hem verder. Een fonkelende glinstering verried datgene waar ik naar op zoek was en ik raapte het op. In mijn hand hield ik een glazen reageerbuis met een stopper van kurk. In het buisje zat een opgerold stuk papier.
Vragend keek ik Kapitein Acab aan. Hij was in de tussentijd naar een dressoir gelopen waar een fruitschaal op stond, en was druk doende bananen in zijn zakken te proppen. Hij knikte me bemoedigend toe. Met mijn duim wipte ik de stopper van de reageerbuis, en schudde de inhoud mijn andere hand in. Ik ontrolde het papier en las:
Mijn nekharen gingen overeind staan, en ik draaide me om. Behalve mijn door de vlammen verspringende schaduw was er niets opmerkelijks te zien.
Mijn nekharen gingen weer liggen.
‘Haha, je keek,’ zei Kapitein Acab, ‘maar lees verder,’ drong hij aan.
Ik wierp Kapitein Acab een vernietigende blik toe. Daarna scande ik de pagina om te zien tot waar ik was gebleven.
Het briefje was niet ondertekend, maar ik herkende het handschrift. De wulpse t, de voluptueuze b, de hartjes op de i. Ik had dit zelf geschreven. Verbaasd keek ik op.
‘Nu we allemaal weten waar we aan toe zijn moesten we maar eens gaan,’ zei Kapitein Acab. Zonder op mijn reactie te wachten draaide hij zich om en stapte door de verbrijzelde tuindeuren naar buiten.
De vlammen hadden de gordijnen ontdekt en maakten vreugdesprongetjes richting het plafond. De atmosfeer in de kamer begon door de bijkomende rookontwikkeling bovendien wat onaangenaam te worden. De raambekleding die op het eerste gezicht velours leek te zijn, laaide op als aanmaakhoutjes die als kind in een ketel met benzine waren gevallen. Zelfs zoiets simpels als ademhalen - waar ik normaliter geen enkele moeite mee heb - werd lastiger.
‘Is hij weg?’ Dokter Röyksopp was onder zijn bureau vandaan gekomen en keek verwilderd om zich heen naar de brandende puinhoop die ooit zijn spreekkamer was. Daarna zei hij nog iets maar dat kon ik niet meer verstaan omdat ik de nevelige avondlucht in was gestapt, achter Kapitein Acab aan.
Buiten was het mistig en het kostte me enkele seconden Kapitein Acab te ontwaren. Hij had er stevig de pas ingezet en ik moest rennen om hem te achterhalen. Toen ik hem bijna was genaderd stond hij opeens stil en draaide zich om. Hij keek langs me heen naar het huis van dokter Röyksopp.
Ik volgde zijn blik. Dokter Röyksopp was druk doende het vuur aan te wakkeren door met een grand foulard te wapperen, die vervolgens ook vlam vatte.
‘Hij had een blusdeken moeten gebruiken,’ zei Kapitein Acab. ‘Hoe decoratief ook, in geval van brand is een grand foulard zelden het juiste hulpmiddel.’
‘Moeten we hem niet helpen?’ vroeg ik.
‘Inderdaad,’ zei hij.
Over dit antwoord moest ik even nadenken, maar in plaats daarvan besloot ik mijn vraag te herformuleren.
‘Ik bedoel, moeten we hem helpen?’
‘Geen sprake van,’ zei Kapitein Acab. ‘Ik kan je verhalen vertellen waarvan de haren je te berge rijzen.’
‘Over dokter Röyksopp?’
’Nee? Gewoon, verhalen. Verhalen waarvan de haren je te berge rijzen.’ Kapitein Acab klonk geïrriteerd. ‘Ik vind die fascinatie van u voor die dokter ongezonde vormen aannemen.’
Ik rechtte mijn rug. Ook al had ik zojuist in mijn eigen handschrift gelezen dat ik deze man moest volgen, ik was niet van plan zonder goede reden over me heen te laten lopen.
‘Ik wil niet zo’n persoon zijn die naar de tegenspoed van een ander kan kijken zonder in actie te komen. Ik kan dit niet langer aanzien.’
‘Het is mijn ervaring,’ zei Kapitein Acab, ‘dat dit soort zaken zichzelf regelt.’
Terwijl hij sprak onttrok een mistbank het tafereel aan ons gezichtsveld.
‘Ziet u wel,’ zei Kapitein Acab. ‘Ook weer opgelost.’
Kapitein Acab en ik stapten zwijgend voort door de dikke mist die bezit had genomen van de stad. Er tuimelden zoveel vragen door mijn hoofd dat ik niet wist waar te beginnen. Kapitein Acab at een van de bananen die hij uit de fruitschaal van dokter Röyksopp had gepakt.
‘Deze mist is een gelukkig toeval,’ zei hij. ‘Als het ooit tot een verfilming komt scheelt dit een godsvermogen aan figuranten.’
Hij was nog niet uitgesproken of er dook een eenzaam figuur op uit de mist. Ik herkende hem als de beroemde Hollywood-acteur Tom Cruise. We knikten elkaar vriendelijk toe tijdens het passeren.
’Shit,’ zei Kapitein Acab.
Ik raapte mijn moed bij elkaar. Ik had teveel vragen waarop ik een antwoord wenste.
‘Kapitein Acab,’ begon ik voorzichtig. Het was de eerste keer dat ik zijn naam uitsprak en verbazingwekkend genoeg rolde deze gemakkelijk van mijn tong, wat des te verbazingwekkender was omdat de naam geen enkele medeklinker bevatte waarmee viel te rollen.
‘Wat is er, mijn jonge vriend,’ antwoordde hij afwezig. Hij had de banaan op en keek zoekend om zich heen. Uiteindelijk nam hij een besluit en propte de bananenschil keurig netjes in de brievenbus van een portiekwoning.
Ik haalde het briefje tevoorschijn. ‘Laten we voor het gemak aannemen dat dit mijn handschrift is en dat ik dus zelf dit briefje heb geschreven.’
‘Een volstrekt logische aanname, aangezien ik deze missive van u in hoogsteigen persoon heb gekregen.’
‘Maar ik heb u nog nooit ontmoet,’ zei ik, met enige stemverheffing. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik dit heb geschreven. En ik concludeer uit de tekst dat wij elkaar kennelijk goed kennen.’
‘U had me al gewaarschuwd dat u hoogstwaarschijnlijk een beetje zou gaan lopen zeuren over de details.’
‘Details? DETAILS?’ Ik was nu aan het schreeuwen.
‘Bent u bekend met Ockhams Scheermes?’ vroeg Kapitein Acab.
‘Ja natuurlijk,’ zei ik. ‘Het is een principe in de wetenschapsfilosofie dat er kortweg op neer komt dat de simpelste verklaring voor een probleem of situatie meestal de juiste is. Durft u nu met droge ogen te beweren dat dit briefje echt is maar ik het tot op heden niet geschreven heb, omdat ik kennelijk in de toekomst aan het tijdreizen sla om mijn vroegere zelf cryptische boodschappen te versturen? Dat is niet alleen belachelijk, het is onmogelijk.’ Ik was nu hysterisch aan het schreeuwen maar ik kon mezelf niet langer meer bedwingen.
‘Ik ben meer een aanhanger van Ockhams Afwasborstel,’ zei Kapitein Acab. ‘Als het probleem je maar matig interesseert is de eerste de beste verklaring dikke prima.’
Hij hield abrupt stil bij een smeedijzeren hek waar met grote letters ‘ZOO’ op stond, waarschijnlijk omdat het woord ‘DIERENTUIN’ teveel in de papieren zou lopen.
‘We zijn er,’ zei hij. ‘Als we met z’n tweeën de schouders eronder zetten is het zo gepiept.’
Hij ging door de knieën en greep een dwarsligger vast. Ik volgde werktuigelijk zijn voorbeeld. Het hek gleed soepel uit zijn scharnieren en na een klein zetje van Kapitein Acab stortte het met een donderend geraas op de klinkers.
Kapitein Acab haalde twee bananen uit zijn jaszakken en hield ze als getrokken pistolen voor zich uit.
‘Als u even een moment wilt wachten.’
Zonder op mijn reactie te wachten glipte hij de dierentuin binnen.
Er verstreken een paar minuten voor de kapitein weer uit het niets opdook. Hij trok me de struiken in en gebaarde me stil te zijn.
In de mist verschenen twee zware gestaltes, elk met een banaan in de hand. Ik had nog nooit een gorilla van zo dichtbij gezien. De armen van de beesten waren zo dik als staalkabels en sterk genoeg om een knoop in een lantaarnpaal te leggen, wat de grootste van de twee dan ook deed. We hielden onze adem in tot ze uit het zicht verdwenen.
‘Magnifieke beesten,’ zei Kapitein Acab. ‘Schrander ook.’
‘En nu?’ vroeg ik.
'Wat dacht u? Als de donder wegwezen natuurlijk!' Hij trok een sprint naar de omheining van een naastgelegen kantoortuin en slingerde zich er soepeltjes overheen, mij verdwaasd achterlatend.
‘KAPITEIN ACAB,’ schreeuwde ik hem na.
'Ontmoet me morgen om twaalf uur in De Drie Pintjes,’ riep hij terug. ‘Zorg ervoor dat u ….'
Ik kon hem al niet meer verstaan, hij was te ver weg. ‘ACAB! ACAB!’ riep ik, tevergeefs.
Naast mij stopte een gele taxi zoals je die alleen in Amerikaanse films ziet. Op de kentekenplaat stond ‘New York (x2)’.
De taxichauffeur liet het raam aan de passagierskant zakken en boog voorover in zijn stoel om me aan te kunnen kijken.
‘You hailed a cab?’ vroeg hij.
De gebeurtenissen van de dag hadden hun tol van mij geëist, en met ‘Ockhams Afwasborstel’ nog vers in mijn gedachten besloot ik dat het geen zin had er langer over na te denken.
‘Ja,’ zei ik, en ik stapte in.
Tsjirp mee op de website Twitter.com met de officiële hashtag #KapiteinAcab